Culemborg zoals het was

Het leven in Culemborg

home Boeken Audio Film Over ons Nieuws Links

Canon van Culemborg

De canon van Culem- borg voert u langs de hoogtepunten van de Culemborgse geschie- denis. Klik hier en laat u verrassen.






Herbergen en hotels

In elke Nederlandse stad vond je inde 18e eeuw wel een herberg. Je kon er eten, drinken en overnachten. Op de kamers vond je meestal geen wastafels met stromend wateren ook was er geen elektrisch licht. Het licht kwam van petroleumlampen. In de kleine kamers stond een krakend ledikant met wat eenvoudig beddengoed en een tafeltje meteen waskom en een lampetkan. De kamers waren niet verwarmd, waardoor het er in de winter ijskoud was. Op de kamers waren geen wc’s, maar naast het ledikant stond een kastje met daaronder een po.


Een kachel of een open haardvuur vond je alleen in de gelagkamer en natuurlijk het kolenfornuis in de keuken. De gelagkamer was meestal een donkere, rokerige ruimte met een tapkast en wat tafeltjes en stoeltjes. Bedienend personeel was er meestal niet. De kastelein zorgde voor alles wat de klant nodig had. Veel kamers hadden de herbergen meestal niet. Hooguit vier of vijf kamers.
De meeste Culemborgers trof je zelden of nooit in een herberg. Wel zochten veel Culemborgers in die tijd hun vermaak in kroegen en in de zogenaamde ‘hok- en mothuizen’ (in 1724 door het stadsbestuur verboden). In deze huizen werden regelmatig danspartijen met drank en spelen gehouden. Dat moet in die tijd een vrolijke boel zijn geweest, vooral als men weet dat in hokhuizen niet-met-elkaar-gehuwden bijeen kwamen en in de mothuizen bedaagde ontuchtige vrouwen woonden.

Aan het einde van de 18e eeuw waren er in Culemborg nog een aantal vervaagde overblijfselen hiervan onder de naam van ‘loophuizen’. Het verschil tussen kroeg en loophuis kwam eigenlijk er op neer dat een kroeg onder controle stond van de politie en een loophuis niet. Er waren in die tijd ‘huizen’ waar oud en jong vertier konden vinden. Voor het overige bestond er voorde jeugd geen enkele afleiding. Men ging dan ook op jonge leeftijd al naar de kroeg, omdat het eigen huis dikwijls geen enkel comfort bood.
 
Aan de Westerwal (nu Molenwal) tegenover de Papensteeg bevond zich een kroeg die De Dierentuin heette. Van de Westersingel af kon je die kroeg bereiken via een houten bruggetje,dat in het midden met een getralied hek kon worden afgesloten. Over die brug kwamen de ‘betere lui’ en het was daar ‘s avonds altijd ‘rendez-vous’. Dan waren er, verspreid door de hele stad, de kaartlegsters. Hier konden de getrouwde en ongehuwde mannen alles te weten komen over wat hun vrouwen en verloofden stiekem uitvoerden! Daar werd dan gezellig een ‘slokkie’ bij gedronken. Erger - veel erger - waren de loophuizen waar de ontluikende jeugd,  vooral zondagsavonds, in kleine clubjes bijeenkwam. Er werd dan onderling ‘gelapt’. Dat wil zeggen, er werd geld bij elkaar gelegd voor jenever. Het hoofd van het gezin ging dan in een slijterij drank halen en tijdens zijn afwezigheid werden met de vrouw allerlei afspraakjes gemaakt. Bijna altijd was het hoofddoel om de man dronken te krijgen. Hij kreeg het leeuwendeel van de jenever en als de roes was ingetreden, werd  hij met vereende krachten de bedstee in gejonast. Daarna volgden in de regel allerlei bacchanale tonelen, waarin scènes voorkwamen à la Adam en Eva.

Door de opkomst van de trein, waardoor de reismogelijkheden verbeterden, verdwenen na 1870 de herbergen geleidelijk aan uit het stadsbeeld. Burgers sprongen nu in het gat dat was ontstaan door het wegvallen van de herbergen. Overal werden door ‘gewone’ mensen cafés - of wat daar voordoor moest gaan - geopend. Meestal werd de voorkamer van het huis opengesteld voor mensen die daar een versnapering wilden gebruiken. Aan de inrichting van de kamer veranderde maar weinig. Schilderijtjes en schemerlampjes bleven aan de muur en ook de kleedjes op de tafel. In korte tijd schoten in het hele land deze cafés als paddenstoelen uit de grond. Dit gaf vaak veel overlast doordronken cafégangers. Door de overheid werd al snel ingegrepen. Het aantal toegestane cafés werd afhankelijk gesteld van het aantal inwoners van een stad.

Het begin van de twintigste eeuw betekende een keerpunt in de inrichting van de cafés. Jugendstil, en later Art-Deco, vonden hun weg naar de tapperijen, vooral in de grote steden. De gewone kroegbaas had meestal geen geld voor een nieuwe inrichting. Zijn bestaan was zo marginaal dat er geen mogelijkheden waren voor een nieuwe inrichting. Hooguit hing hij een wagenwiel met perkamenten lampenkapjes boven de stamtafel.
Als er wel wat geld was, dan kwam er een hoge, houten lambrisering langs de wanden. De buffetkasten achter de tap kregen glas-in-lood, evenals het bovenlicht. Soms met gebrandschilderde afbeeldingen van brancheverwante beroepen, zoals de brouwer en de kuiper. Ook volkswijsheden waren geliefd als interieuraccessoire.
In de eerste helft van de vorige eeuw telde Culemborg 14 cafés, 4 hotels, 2 lunchrooms met hotelaccommodatie,1 pension en 2 proeflokalen

Café van Van der Hoef bij de Nieuwe Brug.In de deur het echtpaar Van der Hoef met links Cornelis van der Hoef en rechts Johanna Maria van Panwijk

De biljartclub van café de Ceintuur.v.l.n.r.: Leen Eegdeman, ?, Goof van Maurik,De Heus en Antoon van Wijngaarden

Het terras van café De Ceintuur. Links Katarien van Wijngaarden en uiterst rechts Job de Heus

Interieur van Cafe De Engelse Ruiter aan de Varkens- markt

Naar Cafe’s en proeflokalen

Naar Hotels en Pension