Culemborg zoals het was

Het leven in Culemborg

home Boeken Audio Film Over ons Nieuws Links

Canon van Culemborg

De canon van Culem- borg voert u langs de hoogtepunten van de Culemborgse geschie- denis. Klik hier en laat u verrassen.






Mijn herinneringen aan de oorlog


In Beusichem heb ik in de kerk geslapen. Waar mijn familie was, weet ik niet meer

‘Ik was nog net geen 10 jaar oud toen  de oorlog uitbrak. Het was angstig,  dat constante geluid van vliegtuigen. Vlakbij huis stortte er een Duits  vliegtuig neer, in de uiterwaard ter  hoogte van de Palumbus. Ik woonde  op de Noord-Oosterwal. Een paar  dagen later moesten we evacueren naar  Beusichem. We moesten weg, maar konden dit amper, want de - naar ik  meen - enige granaat in die tijd kwam  Achter de Vismarkt neer en vernielde  drie huizen. Misschien nog meer, maar  dat weet ik niet precies. Het ergste was,  dat de familie Bosschaart hierbij zwaar  getroffen werd. Een pas geboren baby  bleef gespaard, maar de vader en de  moeder kwamen om. De moeder was  niet gelijk dood. Zij zat rechtop en riep  ‘help toch, help toch’. Wij liepen allemaal door. Door het straatje langs de  koeienschuur van Sjoer en het huis van  de familie Hazendonk. Gelukkig kwamen we in de Tollenstraat een RodeKruis-kar tegen. Men was dus op de hoogte van het ongeluk. Toen we op  de Markt langs de Katholieke kerk  kwamen, stond er een soldaat met een  geweer op de schouder bij de ingang,  die ons naar binnen riep. Waarschijnlijk  was de soldaat helemaal van streek. We  liepen verder, mijn zusje van één jaar in  de kinderwagen en zo naar Beusichem.  Onderweg werden we vanuit een of  meerdere vliegtuigen beschoten. Er  waren gewonden. In Beusichem heb ik  in de kerk geslapen. Waar mijn familie  was, weet ik niet meer. De volgende  dag mocht ik bij iemand op de fiets  mee terug naar huis.’
‘Op mijn 13e jaar ging ik naar de Openbare Mulo. Dat was dus in 1943.  Het was aan de achterkant van de vroegere Postmaschool. De school werd in  1944 door de Duitsers gevorderd. We  werden ondergebracht bij De Mariakroon, een Katholiek meisjespensionaat,  en later bij de Fröbelschool van juffrouw Bink. Dat was spannend, maar  niet ongezellig. Alles wel erg ontregeld.’ ‘Het was ook niet ongezellig om ’s  avonds bij het licht van een oliepitje te  zitten. En het was spannend om voor spertijd thuis te zijn. Er was een tijd dat  je om 8.00 uur ’s avonds binnen moest  zijn. Je rekte altijd zo lang mogelijk.’
‘Maar wat echt niet fijn was, was het strobrood dat je te eten kreeg en de luchtzeep om je te wassen. Gelukkig  was er nog wel de mogelijkheid om  via ruilhandel bij de boeren wat graan  te krijgen en bij bakker Van Malsen  een brood te laten bakken. In die tijd  ging je ook aren lezen. Dat leverde wat  graan op. Doordat we in de Betuwe  woonden, was de Hongerwinter hier  wat minder erg dan voor de stadse  mensen, die lopend met karren hier  naar toe kwamen om ook via ruilhandel wat graan en/of aardappels te       

Een keer kwam ik op de Rijksstraatweg een vehikel met Duitsers tegen, die mijn fiets, het was er een met houten banden, wilden vorderen. Ik weigerde hem af te staan om- dat hij niet van mij was. En wonder boven wonder hebben ze me laten gaan.

Kindertekening: Regionaal Historisch Centrum Eindhoven.

bemachtigen. Ik heb in die tijd geregeld een of twee flessen melk gehaald  bij boeren in Tricht en Buurmalsen.  Dat deed je op de fiets en dat was best  gevaarlijk vanwege de beschietingen  van treinen. Een keer kwam ik op de  Rijksstraatweg (ik was al voorbij de  Kruisweg) een vehikel met Duitsers  tegen, die mijn fiets - het was er een  met houten banden - wilden vorderen.  Ik weigerde hem af te staan omdat hij  niet van mij was. Ik had hem geleend.  En wonder boven wonder hebben ze  me laten gaan. Waarom je dit durft weet je niet. Waarschijnlijk speelt de leeftijd dan een rol. Je beseft niet hoe gevaarlijk het is.’ ‘Van de lagere school herinner ik me,  dat op een ochtend twee kinderen niet  kwamen. Het waren twee Joodse kinderen, Liesje en Siemie van Gelderen.  Iedereen was heel erg ontdaan. Ze zijn  in Auschwitz omgekomen, maar dat  wist je pas later.’
‘Bijna aan het einde van de oorlog,  ik kan me niet herinneren wanneer  precies, kwamen er op een dag honderden en honderden vliegtuigen over.  Op weg naar Duitsland begrepen we.  Het was angstaanjagend. Het ging maar  door en door. En later kwamen ze  terug. Leeg, zonder bommen. Angstaanjagend was ook het overkomen van V-1’s of V-2’s. Je wist nooit  of het geluid op zou houden en als dat  zo was, betekende het, dat het toestel neerstortte. Dat is een keer ook  gebeurd. Het was aan de overkant van  de Lek.’
‘Het einde van de oorlog werd voor  mij gemarkeerd door een legerkampement onder langs de dijk. Van de  soldaten, Engelse of Canadese, kregen  we havermoutsepap, die zeer smeuïg  was en stijf stond van de suiker. Het  was een echte lekkernij.’
Sijgje Smits   

Stadse mensen, die lopend met karren hier naar toe kwamen om via ruilhandel wat graan en/of aardappels te bemachtigen.

Angstaanjagend was ook het over komen van V1’s of V-2’s. V 1.