Culemborg zoals het was

Het leven in Culemborg

home Boeken Audio Film Over ons Nieuws Links

Canon van Culemborg

De canon van Culem- borg voert u langs de hoogtepunten van de Culemborgse geschie- denis. Klik hier en laat u verrassen.






Laatste terechtstelling 
te Culemborg in 1840

Dood-en lijfstraffen werden in het verleden in Culemborg in het openbaar voltrokken op de blauwe steen voor het stadhuis. Die steen ligt daar nog steeds.
Het tijdstip was altijd na de dinsdagmarkt zodat er op veel bekijks gerekend kon worden. In 1840 is de doodstraf in Culemborg voor de laatste maal voltrokken. Jan van Veen en Jacobus van Harp werden als daders van een laffe roofmoord terechtgesteld.


Roofmoord

Jan van Veen, 56 jaar, stoelenmatter en woonachtig in Culemborg, had gehoord dat ene Gerardus de Wilt veel geld bezat. Deze De Wilt woonde samen met zijn dienstbode, Cornelia van Wijngaarden, in een van de weinige huisjes net buiten de stadsgrachten. In die tijd woonden de meeste inwoners nog binnen de grachten in Culemborg.

In Utrecht had Jan van Veen met zijn maten Jacobus van Harp en Dirk Ladru  besloten om De Wilt eens
op te knappen (beroven). Op 29 mei 1839 gingen zij vanuit Utrecht gedrieën op weg naar Culemborg om bij Gerardus de Wilt in te breken.
In Culemborg aangekomen hebben  zij zich, omdat het nog te vroeg was, buiten de stad verborgen gehouden. Toen het eenmaal donker was zijn ze de tuin van De Wilt ingeslopen.
De slaapkamers van zowel Gerardus de Wilt als die van de huishoudster  waren gelegen op de begane grond. In het midden van de nacht werd Cornelia wakker omdat er iemand door de tuin liep. Zij was in de veronderstelling dat het de buurman,  Leeuwenstein,  was. Hij woonde ook in zo’n woning buiten de stadsgracht. Toen zij zijn naam riep kwam er geen reactie maar zij zag wel iemand door het raam in haar kamer kijken. Zij bleef doodstil in haar bed liggen en hoorde toen De Wilt uitroepen “O God, wat zal mij nu overkomen! “. Vervolgens hoorde zij een benauwd geluid, alsof iemand de mond werd dicht gehouden. Daarna hoorde ze in het huis een hevig gestommel wat aanhield tot een uur of drie.
Nadat alles stil was geworden heeft  zij De Wilt geroepen maar toen het angstwekkend stil bleef is zij naar de buren gerend. Deze vonden daarop De Wilt, dood, bedolven onder kussens.
Later werd vastgesteld dat een groot aantal kledingstukken, verschillende zilveren voorwerpen o.a. schoen-en broekgespen, een tabaksdoos en een horloge waren gestolen.


Arrestatie

De daders wisten diezelfde dag nog naar Utrecht te ontkomen. De Utrechtse Officier van Justitie Hees van Berkel, die het nieuws van de roofmoord al had gehoord van een Culemborgse voerman, begon meteen met de opsporing. Nog diezelfde avond van de moord kon hij de daders arresteren.
Zij werden voorgeleid bij het Provinciaal Gerechtshof van Gelderland en werden beschuldigd van diefstal met moedwillige “manslag aan de 72-jarige Gerardus de Wilt te Culemborg”.

Doodstraf

Op 10 september 1839 werden ze alle drie tot de doodstraf veroordeeld met de vermelding dat het vonnis te Culemborg voltrokken moest worden. De voorzitter van het Hof gaf wel aan dat Dirk Ladru, die niet eerder gestraft was geweest, uitzicht had op koninklijke gratie.

Op 3 april werd voor Jan van Veen en Jacobus van Harp het verzoek om gratie afgewezen. De doodstraf van Dirk Ladru werd omgezet in geseling en brandmerken onder de galg en twintig jaar tuchthuis.

Toen kon alles in gereedheid worden gebracht voor de uitvoering van het vonnis op dinsdag 7 april. Op de vraag van de procureur-generaal of Culemborg gebruik wilde maken van een schavot met galg en een gesel-en pronkpaal werd ontkennend door Culemborg geantwoord, er was een geschikt schavot in de stad aanwezig.

Op maandag 6 april ’s morgens om half zeven vertrok vanuit de Arnhemse gevangenis een huifkar met daarin de drie veroordeelden. Na een uur rijden werd er overgestapt naar een rijtuig. Rond twee uur kwam men in Culemborg aan.
Om de gevangenen tot inkeer te brengen werden ze direct bij aankomst bezocht door een protestantse en een lutherse predikant. In de cel van het gemeentehuis kreeg Van Veen nog bezoek van zijn vrouw Hermina van Laar en de kinderen die in Culemborg woonden.

Terechtstelling

Op dinsdag 7 april begon de terechtstelling om twaalf uur. Het schavot stond opgesteld boven de blauwe steen voor het stadhuis en bewaakt door de cavalerie en de schutterij. Van Veen was zo ziek dat hij met een stoel op het schavot werd gedragen. Op het moment dat Van Harp de strop om de hals kreeg vertoonde het gelaat van Van Veen een glimlach. Van Harp reageerde daarop met de woorden: “Broeder lach niet, want het is geen kinderspel, het is iets voor eeuwig”. Na Van Harp werd Van Veen opgehangen. De twee werden daarna in de twee lijkkisten gelegd die op kosten van de gemeente waren gemaakt; de overige kosten kwamen ook voor rekening van de gemeente.
Hierna werd Ladru naar het schavot gebracht voor geseling en brandmerken.

Na de terechtstelling werden de doden aangegeven bij de burgerlijke stand.




In een huisje buiten de stadsgrachten

In Utrecht werden de daders noch die- zelfde avond van de moord gearres- teerd.

Het schavot stond opgesteld boven de blauwe steen voor het stadhuis

Bronnen

Een driedubbele terechtstelling te Culemborg in 1840 / A. Houtkoop. De drie steden : historisch tijdschrift voor Tiel, Buren en Culemborg, ISSN 0169-4650, vol. 7 (1986), afl. 2, pag. 12-15
Procesverbaal van de roofmoord, Provinciaal Gerechtshof van Gelderland.


Jack van der Winkel